Wat is duurzame bosbouw?

De internationale bossector heeft een leidende rol gespeeld om het concept van duurzame ontwikkeling te ontwikkelen en te m.b.t. de conservering en het gebruik van de natuurlijke bronnen van de wereld. Er is wereldwijd overeenstemming bereikt over de onderdelen van duurzaam bosbeheer tijdens de eerste "topontmoeting" van de VN in Rio de Janeiro, Brazilië, in 1992. Dit staat in schril contrast tot de andere materiaalsectoren, zoals metaal, plastic en beton, waarbij "duurzaamheid" niet verbonden wordt aan een internationaal overeengekomen definitie.

Na de topontmoeting in 1992 kwam men internationaal een “Non-Legally Binding Authoritative Statement of Principles for a Global Consensus on the Management, Conservation and Sustainable Development of all Types of Forests” overeen, waarin staat dat:

Bossen en hun hulpbronnen en dienen duurzaam te worden beheerd om aan de sociale, economische, ecologische, culturele en spirituele behoeften van de huidige en toekomstige generaties te voldoen. Deze behoeften zijn voor producten en diensten vanuit het bos, zoals hout en houtproducten, water, voedsel, veevoeder, medicijnen, brandstof, bescherming, werk, recreatie, habitat voor wilde dieren, diversiteit in landschap, CO2 afvang en -opslag en voor andere bosproducten. Geschikte metingen dienen te worden uitgevoerd om bossen te beschermen tegen schadelijke effecten door vervuiling, inclusief luchtvervuiling, brand,ongedierte en ziekten, om haar volledige multifunctionele waarde te behouden”.

 
  • Hoe wordt de definitie van duurzame bosbouw door de VN in de praktijk gebracht?

    Twee aspecten van de definitie van duurzame bosbouw (SFM) van de topontmoeting van de VN dienen te worden gemarkeerd:

    • SFM is een dynamisch concept:de "behoeften van huidige en toekomstige generaties" wordt sterk benadrukt, die door de tijd en ruimte heen zal variëren. De "behoeften" van rijke westerse gemeenschappen (wat wellicht recreatief mountainbiken of vogelobservatie kan zijn) zijn anders dan de "behoeften" van de arme gemeenschappen in de derde wereld landen (die wellicht voedsel en brandstof nodig hebben).
    • SFM omvat concessies: het is zelden, misschien wel nooit, mogelijk om aan alle eisen die aan bossen gesteld worden, te voldoen binnen een enkele bosbeheereenheid. Om bijvoorbeeld een commerciële boseenheid binnen een bepaald gebied te maximaliseren zijn concessies nodig m.b.t. bosbehoud en andersom. Deze kwestie wordt aangepakt middels afbakening van bossen en planningsregels op landschapsniveau, waarin sommige bosgebieden apart worden gehouden voor de biodiversiteit, de aarde of de bescherming van het water, terwijl anderen apart worden gehouden voor recreatie of duurzame productie van hout, brandstof of andere bosproducten.

    Om deze problemen onder te brengen stimuleerde de topontmoeting in 1992 een doorgaand, wereldwijd politiek proces dat door de Verenigde Naties werd geleid om:

    1. de algemene, wereldwijde SFM-principes tot een serie regionaal van toepassing zijnde criteria en indicators (C&I) te ontwikkelen en aan te passen. Relevante processen omvatten het Pan European proces, het Montreal Proces (gematigde en boreale bossen buiten Europa, inclusief die van de Verenigde Staten) en het ITTO proces (tropische bossen).
    2. SFM-criteria en indicators (C&I) voor toepassing op nationaal niveau te verfijnen middels verschillende raadgevende processen.
    3. systemen te ontwikkelen en navolging van de SFM C&I te meten.

    De betrokkenheid en voortgang van de Verenigde Staten bij dit proces om SFM te implementeren volgens de internationaal erkende Montreal C&I wordt gemeld in de National Reports on Sustainable Forests, uitgegeven in 2003 en bijgewerkt in 2010.

    Naast de processen van de VN, zijn ook een aantal boscertificeringssystemen voor particuliere sectoren ontwikkeld, zoals de PEFC en FSC. Deze passen de SFM C&I aan om de mening van de specifieke belangen geïnteresseerden verder aan zodat het betrokken raakt bij de ontwikkeling van het certificeringsysteem van onafhankelijke inspectie van het bosbeheer op het niveau van de afdeling.